Language: Nederlands

Hoe coöperatief zijn coöperaties eigenlijk?

2012, het Internationale Jaar van de Coöperatie, was in alle opzichten een groot succes waarbij de coöperatie als bedrijfsvorm wereldwijd (eindelijk!) de aandacht en waardering kreeg die het verdiende. De timing had ook niet beter kunnen zijn. In een periode van crisis in veel westerse landen, draaien juist coöperatieve ondernemingen als een tierelier. Ook in Nederland. FrieslandCampina realiseerde een omzetstijging van 26,7% in 2012 en een netto winststijging van maar liefst 7,1%., FloraHolland is blij met een omzetstijging van 3%, Agrifirm verdubbelde de winst naar EUR 21,1 t.o.v. 2011, Cosun realiseerde een winsttoename van 19% en omzetstijging van 16%; om maar een paar van de coöperatieve boegbeelden van Nederland te noemen.

En hoe zit dat in ontwikkelingslanden? In de ICA top 300 coöperaties van de wereld staan nul (0!) coöperaties in Afrika genoemd en slechts een handvol bedrijven in China (6), Indonesië (2), India (2) en Brazilië (1). Er is dus nog een wereld te winnen zou je denken. Nu zegt zo’n ranglijst natuurlijk lang niet alles. Ook in landen als Peru, Kenia en Ethiopië heeft de sector een boost gekregen en is er bijvoorbeeld (belangrijke indicatie!) bij banken een toenemende interesse in het financieren van de coöperatieve sector. Coöperaties zijn dus niet langer het sulligste jongetje van de klas. Het zou ook eens tijd worden! In 2012 verscheen trouwens een speciaal katern bij het NCR cooperatieblad over cooperaties in ontwikkelingslanden., maar dit terzijde.

Na dit fijne jubelverhaal vraag ik toch wel af waarom Nederlandse coöperatieve bedrijven actief in Azië, Afrika of Latijns Amerika eigenlijk niet de aansluiting zoeken bij de coöperaties ter plaatse? Niet omdat coöperaties in Kenia of Peru zo lief zijn (want dat zijn ze niet), maar gewoon vanwege het enorme groeipotentieel en de economische meerwaarde van samenwerking. Een bedrijf als FrieslandCampina bijvoorbeeld staat fier voor zijn coöperatieve principes en vent dat publicitair goed uit, maar zodra de zuivelboeren een stap over de grens zetten lijkt het toch verdacht veel op een doodgewoon bedrijf. En dan te bedenken dat men een aanzienlijk deel van de winst juist in de opkomende economieën in Afrika en Azië realiseert! Nu wil ik best begrijpen dat een coöperatie van keuterboeren in Indonesië niet zomaar lid kan worden, maar nadenken over strategieën hoe je coöperatief ownership ook daadwerkelijk over de grens vorm en inhoud kan geven, dat lijkt me toch een prachtige uitdaging voor FrieslandCampina en alle andere Nederlandse coöperatieve bedrijven met internationale ambities. Toch?

 

Zuivelsector Kenia verliest onschuld

Er werd allang over gespeculeerd, maar nu lijkt het dan toch zover te zijn: de Keniaanse overheid lijkt serieus werk te maken van het aan banden leggen van de verkoop van rauwe melk. Per decreet heeft de Kenya Dairy Board, het overheidsorgaan voor toezicht en regulering van de zuivelsector, bevolen dat alleen verkoop van gepasteuriseerde melk en verpakte  zuivelproducten is toegestaan. In een land als Kenia waar slechts 35% van de jaarlijks geproduceerde 4,5 miljard kg melk wordt gepasteuriseerd en verwerkt betekent dit een enorme uitdaging voor de boeren en hun coöperaties. Klanten van Agriterra zoals Kiambaa Diary, Ndumberi Dairy en Mukurwe-ini Dairy verkopen een groot deel van hun productie als rauwe melk aan hotels, restaurants, scholen en rechtstreeks aan consumenten via – veelal- goedlopende milk shops. En wat te denken van de duizenden informele venters (“hawkers”) die melk rechtstreeks opkopen bij de boeren en van deur tot deur verkopen? Aangezien de coöperaties het eenvoudigst te controleren zijn, verwacht ik dat zij de eerste zijn die worden aangepakt. Om grip te krijgen op de informele venters zal de controle arm van de Dairy Board vooralsnog ontoereikend zijn denk ik.

Sommige coöperaties zijn al aan het voorsorteren op de nieuwe situatie. Zo is het business plan van boergenoteerd bedrijf Mukurwe-ini Dairy voor een pasteuriseer lijn al klaar, is de financiering daarvan zo goed als rond en zal naar verwachting op korte termijn worden begonnen met de bouw van de fabriek. Maar dat zal niet zonder slag of stoot gaan, want gevestigde zuivelbedrijven zoals marktleider Brookside Dairy  hebben natuurlijk een grote voorsprong en zullen het decreet aangrijpen om zoveel mogelijk van de rauwe melkproductie naar zich toe te trekken. Meer dan ooit zullen coöperaties er alles aan moeten doen om door dienstverlening op niveau, o.a. krediet, KI, voorlichting, hun leden aan zich te binden. Kansen liggen er ook zeer zeker. Zuivelbedrijven zoals Brookside en ook NKCC hebben per definitie weinig oog voor het belang van de boeren en investeren weinig in de ketenpartijen. Daar is zeker nog een wereld te winnen voor ondernemende coöperaties die boeren en burgers aan elkaar weet te binden. Ook kan ik me voorstellen dat samenwerking tussen informele venters en de cooperaties kansrijk is: Venters zetten een cooperatiepet op en zorgen via hun fijnmazig netwerk dat door de cooperatie gepasteuriseerde melk wordt verkocht in alle uithoeken, daar waar de gevestigde partijen niet of nauwelijks komen. Werk aan de winkel dus voor de zuivelcooperaties in Kenia en ook voor Agriterra! Al blijft natuurlijk wel de vraag in hoeverre de Keniaanse overheid bij machte is om op korte termijn ook daadwerkelijk grip te krijgen op de sector. Hoe dan ook, de economie van Kenia wordt volwassen en vroeg of laat is dat een realiteit waar ook de melkveehouders en de coöperaties haar draai in zullen moeten vinden.

Zuivelcoöperaties Kenia gaan voor fusie

Kiambaa Dairy en Ndumberi Dairy tellen hun knopen: als ze als kleine coöperaties een kans willen maken te overleven in de dynamische zuivelmarkt in Kenia dan moeten de handen ineen worden geslagen. Tijdens de zuivelstudietoer in Nederland van 17 – 25 april staat de voorgenomen fusie tussen beide coöperatieve zuivelaars daarom centraal. Naast een kennismaking met de melkveehouderij en zuivel in ons land, zal tijdens hun verblijf in Nederland de route worden uitgestippeld die moet leiden tot 1 sterke coöperatie met ruim 4000 leden die tezamen dagelijks zo’n 40.000 kg melk produceren.

Nederland is wereldwijd vermaard om zijn koeien en kaas, maar daarnaast hebben de coöperaties in ons land ook een rijke geschiedenis voor wat betreft fusies. Samenwerking lijkt de Nederlandse boeren in de genen te zitten. De duizenden kleine zuivelcoöperaties van zo’n 100 jaar terug zijn na talloze fusietrajecten over de jaren inmiddels verworden tot de coöperatie gigant FrieslandCampina. In gesprek met Jan Uijttewaal, vicevoorzitter van FrieslandCampina zullen zijn ervaringen met de fusie tussen Friesland Foods en Campina dan ook zeker ruim aan bod komen. Dat is kennis waar de Kenianen veel van hopen mee te krijgen want fusietrajecten tussen coöperaties zijn in hun land onbekend en voorbeelden van mislukte samenwerkingen (veelal in de vorm van joint ventures) zijn talrijk.

In gesprek met de voorzitter en bestuurder van zuivelfabriek Rouveen kwamen hun ervaringen met de fusie in 1987 tussen ‘De Vlijt’ en ‘De Kleine Winst’ uitgebreid ter sprake. “ Het is belangrijk om als fusiepartners een gezamenlijk doel te formuleren en je leden goed bij het fusieproces betrokken houden”  zo adviseerde directeur Ben Wevers de gasten uit Kenia.  Egbert Koersen, voorzitter van Raad van Commissarissen sprak de hoop uit dat met deze fusie als eerste stap, de coöperatie op de lange termijn een grotere invloed krijgt op de prijsvorming van melk in Kenia. “ Daar zullen de boeren in Kenia uiteindelijk de vruchten van plukken” , aldus Koersen.

 

Coöperaties in Peru hebben horizon nodig

Gisteren uitgebreid gesproken via Skype met Bas Prins, “ onze man” in Peru. Sinds begin dit jaar is hij daar voor Agriterra gestationeerd als bedrijfseconomisch adviseur. Dat houdt in dat hij onze klanten, merendeel coöperaties, met raad en daad bij staat in het realiseren van hun ambities in coöperatief ondernemen. Prachtige baan! In korte tijd heeft hij daar een mooie klantenportfolio opgebouwd. Boeren in Peru zijn vooral in koffie en cacao sterk coöperatief georganiseerd, maar ook hoog in de Andes zijn mooie coöperatieve bedrijven te vinden, bijvoorbeeld van alpaca houders en quinoa (Andesgraan) producenten. Een aantal van onze klanten hebben met support van Agriterra een degelijk business plan gemaakt en de eerste handelsfinancieringen zitten er aan te komen. Dat ziet er dus goed uit.

Zonder uitzondering hebben al onze klanten grote ambities en grootse plannen. Niet zo gek, want zonder ambitie valt er voor het agribusiness team van Agriterra weinig te doen. Waar coöperaties in Peru ook in uitblinken is in de gebrekkige opbouw van eigen vermogen, ook wel bekend staand als het “ horizon probleem”. Daarbij is druk vanuit de leden groot om surplus uit te keren in vorm van nabetaling in plaats van kapitaalpositie van coöperatie te versterken. Het belang van “instant cash” blijkt voor veel leden voorrang te hebben boven noodzaak voor investeringen in de toekomst. Dat kan komen omdat veel boeren het doodgewoon niet breed hebben en het geld gewoon nodig hebben. Maar het zou ook kunnen duiden op gebrek aan vertrouwen in de coöperatie. “In hoeverre is mijn geld veilig in de coöperatie?” is wellicht een twijfel waar leden mee zitten. Een andere oorzaak zou kunnen zijn dat boeren zich vooral gebruiker en niet zozeer mede-eigenaars van de coöperatie voelen waarmee het belang van investeren minder groot is.

Wat de reden ook is, waarschijnlijk is het een combinatie van alle drie factoren, het feit dat boeren weinig geld in de coöperatie hebben zitten maakt ook dat er vaak geen sterke binding is met de coöperatie en men net zo makkelijk hun producten verkoopt aan derden wanneer deze een betere prijs betaald. Statutair zijn toegang, uittreding en wederzijdse verplichtingen in Peru vaak onvoldoende vastgelegd. Afdwingen door statutaire regels schiet dus tekort. Proportionele vermogensopbouw lijkt waarschijnlijk een betere strategie; zo gauw een boer zijn productie bij de coöperatie brengt wordt een percentage niet uitbetaald maar geregistreerd als inbreng van vermogen op naam. Een goede administratie is natuurlijk van groot belang hier omdat een lid altijd up-to-date moet kunnen zien wat zijn totale inbreng is geweest.

Dit zijn van die dilemma’s waar coöperaties van alle tijden in alle continenten mee worstelen. De ultieme oplossing bestaat niet, al blijft het zaak voor coöperaties om blijvend te investeren in ledenbinding. Dit kan door kapitaalopbouw, maar zeer zeker ook door een goed dienstenaanbod en door goede communicatie met en tussen leden. Making cooperatives bankable begint toch vooral met sterk commitment van leden, ook financieel. Komende zaterdag heeft Coopain Cabana haar ledenvergadering en zal dit punt hoog op de agenda staan.

 

Worstelen met coöperatie principes in een vrije markt: de Oeganda case

In hoeverre is het mogelijk een succesvolle onderneming op te zetten op basis van coöperatieve principes? Voor zijn eindopdracht voor de Nyenrode MBA Food & Finance module over Ondernemerschap & Coöperatie heeft Agriterra medewerker Bas Prins samen met drie collega studenten deze vraag losgelaten op UCCCU, een unie van coöperaties van melkveehouders in Oeganda die serieuze plannen heeft om een zuivelverwerkingsfabriek te gaan opzetten. Uit het rapport blijkt dat UCCCU veel waarde hecht aan de coöperatieve principes zoals vastgesteld door International Cooperative Alliance maar waarbij het de vraag is of deze principes de commerciële ambities van dit coöperatieve bedrijf in wording niet in de weg staan.

Uit gesprekken met UCCCU bestuursleden blijkt dat de ICA coöperatie principes sterk doorklinken in de organisatiestructuur. De voornaamste reden daarvoor is om boerenleden te binden aan UCCCU om zo gezamenlijk “ countervailing power” te bouwen en te behouden. Om dit te bereiken moeten de boeren-leden zich herkennen in de coöperatie, inspraak hebben op het beleid van de coöperatie en de overtuiging hebben dat de coöperatie hun belangen dient. Boeren hebben tot dusver al zo’n 550.000 Euro bij elkaar gelegd dus het lijkt op het eerste gezicht wel goed te zitten met de coöperatieve principes van de UCCCU boeren. Een half miljoen euro is echter niet genoeg. Er is meer kapitaal nodig voor de fabriek:, dus men rekent op bijdrage van een bank, ideële organisatie of investeerder.

Maar hoe aantrekkelijk is een top coöperatie als UCCCU voor bijvoorbeeld investeerders? Ik verwacht dat deze worden afgeschrikt juist door de strikte hantering van de ICA coöperatieve principes. Door de 4 (!) bestuurslagen in de top coöperatie UCCCU doemt namelijk het beeld op van een log bedrijf gekenmerkt door tergend langzame besluitvorming waarbij slagkracht, ondernemerszin en marktdenken worden gegijzeld door het vasthouden aan klassieke coöperatieprincipes. Moeten deze dan maar over boord worden gegooid? Nee, juist in een ontwikkelingsland als Oeganda zijn en blijven coöperaties van wezenlijk belang om boeren een sterke positie te realiseren in de markt, maar als UCCCU met het zuivelbedrijf daadwerkelijk meerwaarde wil creëren voor haar leden, dan zal zij moeten moderniseren, met veel meer manoeuvreerruimte voor management en met boeren nog steeds in de “ driver’s seat” maar dan wel met een bestuur en toezicht meer op afstand. Alleen dan zal UCCCU in staat zijn de concurrentie het hoofd te bieden en alleen dan zal UCCCU daadwerkelijk bankabel en investeringsrijp zijn voor banken en investeerders. De cliffhanger is natuurlijk of de UCCCU leden het hiermee eens zijn. Wordt vervolgd!

 

Volop kansen voor coöperaties in Ethiopie

Net terug in Nederland van weer een geweldige werkreis, deze keer naar Ethiopië. Een prachtig land met heel veel vruchtbaar land. Ethiopië is weliswaar nog steeds een van de armste landen in de wereld, 174ste op de Human Development Index, maar de economische groei in de afgelopen jaren (schommelend rond 8%) is indrukwekkend te noemen. Er is met steun van China veel geïnvesteerd in wegen (nauwelijks potholes gezien!) en ook de landbouw is volop in beweging. Ethiopië is dan ook een van de weinige landen in Oost-Afrika waar de overheid investeringen in de landbouw niet als kostenpost maar als basis voor economische ontwikkeling ziet.

Het land barst van de coöperaties en ook deze moeten worden opgestoten in de vaart der volkeren. De Agricultural Transformation Agency (www.ata.gov.et), een nieuw interdepartementaal overheidsorgaan dat systematische bottlenecks in de landbouw moet gaan oplossen, heeft dan ook een ambitieus supportprogramma om coöperaties op een hoger plan te brengen. Het management moet professioneler, toegang tot krediet moet beter, aansluiting op markt moet beter en coöperaties moeten een grotere rol spelen in verwerking en marketing van producten. Oftewel, een programma naar mijn coöperatieve hart!

Natuurlijk zijn er ook kanttekeningen te plaatsen, maar waarom zou ik dat doen? Juist in het huidige VN jaar van de coöperaties wordt duidelijk hoe economisch relevant het coöperatieve bedrijfsmodel nog steeds is (zie o.a. www.stories.coop). Zonder de vaak weerbarstige praktijk van coöperaties in Ethiopië te ontkennen, zie ik ook/juist in Ethiopië volop kansen voor het coöperatieve bedrijfsmodel. Agricultural Transformation Agency wil graag dat Agriterra haar expertise en coöperatieve achterban inzet voor het coöperatieprogramma en dat gaan we ook doen. De eerste stap is alvast gezet: we gaan drie unies van sesam coöperaties met gezamenlijk zo’n 24000 leden ondersteunen bij het verbeteren van het management en het opzetten van een handelskredietlijn.

Noodzaak tot krachtenbundeling voor zuivel in Kenia

Zuivel is weer big business in Kenia! In de jaren negentig zag het er allemaal nog heel somber uit. De markt werd geliberaliseerd en KCC, de grootste (coöperatieve) zuivelaar toentertijd, ging ten onder aan corruptie, wanbeleid en gebrek aan concurrentiekracht. De impact van het faillissement van KCC op de coöperaties, als belangrijkste aandeelhouder en leverancier, was enorm: velen legden het loodje en boeren waren als vanouds weer op zichzelf en de informele markt aangewezen voor de afzet van hun melk.

Het beeld in 2012 is totaal anders. Door de groeiende stedelijke middenklasse is er toenemende vraag (naar schatting 4% groei/jaar) naar zuivelproducten. Steeds meer verwerkers willen dan ook een aandeel in deze almaar uitdijende melkplas. Het marktaandeel van New KCC (de genationaliseerde opvolger van KCC) en Brookside tezamen is weliswaar nog steeds zo’n 65% maar brokkelt langzaam maar zeker af. Nestlé gaat aan de slag in Kenia en ook Sameer (sterk in zuivel in Uganda) heeft grote plannen. En dan te bedenken dat slechts een schamele 30% van de jaarlijkse 4,5 miljard liter geproduceerde melk wordt verwerkt. De rest wordt vers (onverwerkt) verkocht of is voor zelfconsumptie. Oftewel ” the only way is up” in Kenia als het gaat over zuivel.

Je zou zeggen dat er in deze groeimarkt ook volop kansen liggen voor boeren om een goede prijs te krijgen voor hun melk. Die liggen er ook zeker, maar worden nog onvoldoende benut door de boeren. Het merendeel van de coöperaties is eenvoudig genoeg te klein om echt een vuist te kunnen maken naar de opkopers, de zuivelfabrieken en ook naar de informele handelaren. Neem als voorbeeld Tulaga Dairy en Kitiri Dairy, beide Agriterra klanten en beide uit dezelfde regio. Om een idee te geven: Tulaga bulkt en verkoopt dagelijks zo’n 16.000 liter en Kitiri doet gemiddeld 7.000. Beide coöperaties dromen zoals zo vele anderen over pasteuriseren en verwerken en van hun eigen merk op de schappen van Nakumatt (zeg maar de AH van Kenia). En dit terwijl op een steenworp afstand de zuivelfabriek Kinangop Dairy de capaciteit van de fabriek bij lange niet weet niet te benutten. Samenwerken is mensenwerk en per definitie ingewikkeld, ook in een land als Kenia. Maar om van speelbal, spelmaker te worden in de Keniaanse zuivelsector, moeten boerenleiders en hun coöperaties over hun eigen schaduw stappen en de krachten bundelen. Met steeds in het achterhoofd, hoe kunnen we onze boeren een zo goed en constant mogelijke prijs geven voor hun melk? Dankzij de grote ervaring met fusietrajecten in de Nederlandse agribusiness is Agriterra in staat deze boeiende maar o zo complexe samenwerking- en fusietrajecten in Kenia te ondersteunen. Ook zo maakt Agriterra coöperaties bankabel!